|
Prostaatkanker - behandelingHormoon-ongevoelige prostaatkankerDe gemiddelde duur tussen de start van de hormonale behandeling en het moment van ziekteprogressie, dus het ontstaan van hormoon-ongevoelige ziekte, is 18 tot 24 maanden. Hormoon-ongevoelige ziekte betekent dat de hormonale behandeling niet meer voldoende werkt. Indien patiënten naast LHRH tevens langere tijd behandeld zijn (meestal in het kader van maximale androgeenblokkade) met een anti-androgeen, kan de ziekte soms opnieuw enkele maanden tot staan worden gebracht door het anti-androgeen te staken. Dit wordt een anti-androgeenonttrekkingsreactie genoemd. Hierna is ook bij deze patiënten sprake van androgeenonafhankelijk of hormoon-ongevoelig prostaatkanker. Wel of niet doorgaan met hormonale behandelingDe toepassing van verdere hormonale behandelingen bij patiënten bij wie inmiddels sprake is van hormoon-ongevoelig prostaatkanker, is erg beperkt. Behandeling met een anti-androgeen middel naast de behandeling met LHRH bij patiënten die tot dan toe nog alleen met LHRH werden behandeld kan resulteren in een daling van het PSA in het bloed, maar dit effect is doorgaans maar kort en leidt zelden tot verbetering van klachten bij patiënten bij wie de ziekteprogressie gepaard is gegaan met (nieuwe) pijnklachten. Het tijdelijk gunstige effect van een anti-androgeen berust in dergelijke gevallen op het remmen van de werking van de geringe hoeveelheid mannelijk hormoon dat door de bijnieren worden geproduceerd (LHRH blokkeert alleen de testosteronproductie in de testikels). Een vergelijkbaar remmend effect op de hormoonproductie door de bijnieren is beschreven van het antischimmelmiddel ketoconazol, doch ook hiervan is de werkzaamheid bij patiënten met hormoon-ongevoelig prostaatkanker doorgaans gering en beperkt tot een tijdelijke daling van het PSA. Desalniettemin kunnen deze behandelingen worden overwogen bij patiënten die geen enkele klacht van hun ziekte hebben en bij wie geen aanwijzingen bestaan dat dit op korte termijn te verwachten is. Factoren die in deze afweging een rol spelen, zijn het al dan niet bestaan van nieuwe afwijkingen op röntgenfoto’s of botscan en de snelheid van PSA stijging (PSA verdubbelingstijd). Behandeling met bijnierschorshormonen (cortisol, corticosteroiden), meestal in de vorm van prednison of prednisolon, heeft zeker een plaats bij de behandeling van patiënten met hormoon-ongevoelig prostaatkanker, maar wordt bij voorkeur gegeven samen met chemotherapie (zie verder). Bij patiënten bij wie sprake is van hormoon-ongevoelig prostaatkanker en bij wie (naast stijging van het PSA) nieuwe afwijkingen worden vastgesteld op röntgenfoto’s of op een botscan, of die klachten hebben van hun ziekte (pijn, vermoeidheid, gewichtsverlies), hebben deze tweedelijns hormoonbehandelingen eigenlijk geen plaats meer, gezien de grotere werkzaamheid van chemotherapie (zie verder). Voortzetten van de behandeling met hormonen (LHRH) bij hormoonongevoelig prostaatkankerHoewel het nut van voortzetten van behandeling met LHRH bij hormoon ongevoelig prostaatkanker niet onomstotelijk is vastgesteld, zijn deskundigen internationaal van mening dat ook al is eenmaal sprake van ziekteprogressie tijdens behandeling met LHRH deze behandeling moet worden voortgezet, teneinde te vermijden dat naast de hormoon ongevoelige prostaat-kankercellen ook weer groei optreedt van kankercellen die nog wel (deels) gevoelig (en dus geremd) zijn door de hormoonbehandeling. Ook al is er geen sluitend bewijs, er zijn wel sterke aanwijzingen voor de juistheid van deze veronderstelling omdat in eerder onderzoek in de jaren negentig de overleving van patiënten met hormoon-ongevoelig prostaatkanker korter leek wanneer de hormoonbehandeling was gestaakt dan bij patiënten bij wie deze behandeling was voortgezet. Daarom wordt ook bij behandeling met chemotherapie (zie het hoofdstuk chemotherapie) de behandeling met LHRH eigenlijk altijd voortgezet. Gesponsorde links:
|
Alle MediStart websites
|


